Columns

Gé schrijft tweewekelijks een column in Dagblad de Limburger.

    Vijfentwintig jaar

    21 mei 2017

    De Limburger 20 mei 2017

    De Smoeshaan is een kroeg aan de Leidsekade in Amsterdam, naast Theater Bellevue,.

    Al vijfentwintig jaar houden wij daar onze presentaties. Al zing ik in het Limburgs, als Nederlandse artiest wil ik mijn platen ook ten doop houden in Amsterdam. Want in die buurt zitten alle landelijke media en die komen niet naar Roermond. Ja, wel bij aardbevingen, overstromingen of als er een wethouder omkukelt. Maar anders niet.

    Wellicht denkt u: waarom in De Smoeshaan? Nou, vanwege het Limburgse bier dat ze daar al een kwart eeuw tappen. Toentertijd vond de directeur van, ik zal geen merk noemen, een brouwerij uit Gulpen het leuk om ons in natura te steunen met gerstenat. De nieuwe bierleiding vindt dat gelukkig nog steeds.

    Vijfentwintig jaar geleden overhandigde Huub Stapel mij het eerste exemplaar van de CD ‘Blood’. In mijn plakboek zit nog een foto. Waat ’n menkes!

    Afgelopen maandag werd De Liedjeskast gelanceerd. Dit is een gratis on line programma op oefenen.nl, bedacht door mijn vrouw Marjan Suilen, om taalregels te leren. Samen schreven we de liedjes. Tweede Kamer-voorzitter Khadisha Arib nam de CD in ontvangst. Vanwege haar waren maandag ook twee kamerleden van de partij. Nou moe! Eén twitterde zelfs over De Liedjeskast.

    In 1992 hadden we nog een fax en zeker geen mobiele telefoon. De uitdrukking ‘vaste lijn’ bestond ook nog niet. Want dat was de enige lijn die je had. Toen moest je gewoon optelefoneren naar Amsterdam om een hotel te reserveren. Tegenwoordig is er daar geen kamer meer te krijgen en had Marjan via een of andere website een mooi appartement aan de Ceintuurbaan gehuurd. Drie hoog. Ik wordt nu nóg bang als ik denk aan die akelig lange smalle trap.

    Blood was mijn eerste plaat die alleen op CD verscheen. Het voorafgaande album was nog geperst op vinyl. Nu is mijn muziek behalve op CD ook te beluisteren op Spotify.

    Als je dat zo bekijkt zou je denken: Waat is t’r toch väöl verangerd wó. Maar is dat wel zo? Zijn dit eigenlijk niet allemaal randverschijnselen? Want een goed liedje blijft een goed liedje, of het nou op LP, CD of iTunes staat. En leuke mensen blijven leuke mensen, of ze je nou bellen met een iPhone 25 of op de vaste lijn. Hetzelfde geldt trouwens ook voor klootzakken.

    Maar sommige dingen zijn in vijfentwintig jaar gelukkig helemaal niet veranderd. Ook afgelopen maandag waren Marjan en ik de laatsten van ons gezelschap om het pand te verlaten. Maar toen moest ik aan de Ceintuurbaan nog wel die rot-trap op.


     

    Ottensamer

    9 mei 2017

    Wat doe jij hier?, hoor ik in de grootste boekhandel van Groningen. De vraag komt van dirigent Floris de Wever waarmee ik al drie keer heb opgetreden. Maar hij dirigeert niet alleen, Floris blijkt hier te werken. Voor de keten, waar deze boekenzaak toe behoort, is hij inkoper van klassieke CD’s. Jij zou denken dat het vak CD-inkoper langzamerhand gerekend kan worden tot de oude ambachten. Niets is minder waar. Floris laat me trots zijn grote afdeling zien. Iedere maand kiest hij voor zijn klanten een speciale advies-CD en dat werkt heel erg goed. Wat zou je mij adviseren?’, vraag ik.

    Floris wordt heel enthousiast: New Era van Andreas Ottensamer. Die CD is net uit. Zo mooi! Andreas is de solo-clarinetist  van de Berliner Philharmoniker en zijn vader én zijn broer bespelen hetzelfde instrument bij de Wiener. 

    Verkocht. Floris heeft gelijk: het is een super CD die ik dagelijks draai. In de eerste plaats vanwege de prachtige muziek voor klarinet en orkest. Allemaal stukken die een relatie hebben met het rijke hof van Mannheim, waar in het tweede deel van de achttiende eeuw de beste musici wilden spelen. Mozart was helemaal weg van de sound van het orkest daar. Hij was er op doorreis en schreef als 22-jarige aan zijn Pa (vrij vertaald.) Ach, hadden wij ook maar klarinetten!

    Ottensamer bespeelt dat instrument prachtig. Er komen virtuoze trekjes voorbij maar het gemak waarmee hij die brengt is jaloersmakend. Bovendien blaast hij fantastisch zuiver. Dat is nog niet zo gemakkelijk op een blaasinstrument, hoor. Kijk, een goed gestemde piano klinkt altijd zuiver, maar bij een blaasinstrument moet de muzikant de toon maken met zijn adem, met zijn lippen, zeg maar met zijn hele lijf.

    Wat ik ook zo mooi vind is hoe hij varieert met de klank van zijn instrument. In de opgewekte passages klinkt zijn klarinet helder, scherp. Terwijl hij in sommige langzame passages een omfloerste doffere toon laat horen. Daar speelt hij steeds mee.

    In deze muziek worden vaak korte passages herhaald. Ottensamer laat die herhaling dan altijd anders klinken. Vaak zachter maar nooit minder intens.

    Weet u: de klassieke sterren van nu hebben Youtube ontdekt. Ik heb gisteravond daar de clips van de CD bekeken. Wat blijkt: er is geen dirigent. Als een popster leidt Andreas het orkest!

    Floris had gelijk: deze CD is een aanrader. Het gekke is dat ik op zijn advies nóg twee CD’s heb gekocht, van andere musici. Maar, vanwege Ottensamer, zitten die nog steeds in de verpakking.


     

    Het Rosenberg Trio

    13 februari 2017

    Dagblad de Limburger 11-2-2017

    Waarom gebruiken mensen woorden? Om iets te benoemen zou ik zeggen. Maar het Engels heeft 3.000 verschillende benamingen voor dronkenschap. Drieduizend! Waarom? Een wetenschapper zegt dat al deze woorden nodig zijn om, ik citeer: ‘die situatie een beetje te verhullen.’ Dus Engelsen bedenken nieuwe woorden voor zat zijn omdat ze zich schamen dat ze wéér aangeschoten rondzwalken. That I can understand.

    Maar wat betekent het als mensen ergens géén woorden voor nodig hebben? Ik ging daarover denken, nadat ik het Rosenberg Trio had opgenomen. Bij de repetitie vertelde ik dat het stuk in A majeur stond, maar de drie mannen keken elkaar aan, begonnen te lachen en zeiden: Laat maar horen. Dus ik speelde het liedje voor en snel hadden ze het nummer onder de knie. We praatten nog wat na en ze vertelden dat ze dus nooit akkoorden benoemen. Op de vraag of er in de Sinti-taal woorden voor waren antwoorden zij: ‘ Dat valt best tegen.’  Wo! Ik ben gewend dat muzikanten allerlei termen gebruiken om over muziek te communiceren. Eigenlijk was het hele conservatorium zelfs de inwijding in een soort elitaire geheimtaal.

    Tot mijn bewonderende verbazing blijken deze zigeuners zonder te kunnen. Zo speelde Stochelo Rosenberg ergens heel mooi een Kruis Elf akkoord. (Voor de geïnteresseerden: C Kruis Elf = C E G Bes D Fis) Toen ik tegen hem zei dat ik die greep daar prachtig vond, moest ik voorspelen waar ik het over had.

    Het Rosenberg Trio heeft dus geen theorie nodig. Zij spelen. En hoe! Ik voelde de hechtheid waarmee ze musiceren. Dat is het resultaat van já-ren samenspelen. Stochelo staat als sologitarist natuurlijk in het middelpunt. Terecht, want hij soleert onnavolgbaar indrukwekkend. Een held! Maar de broers Nonnie en Nouche, op de contrabas en de slaggitaar, geven neef Stochelo de werkelijk waanzinnig solide basis van waaruit hij kan schitteren. Zij spelen zó ritmisch dat je geen moment slagwerk mist.

    Jaloers ben ik op muzikanten die mij op die manier kunnen meevoeren. Dat zijn er niet veel. Want net zoals het Engels 3000 woorden heeft om dronkenschap te verhullen, zo ken ik gitaristen die strooien met Kruis Elf akkoorden maar mij niet kunnen raken.

    Het Rosenberg trio kan dat wel. Mijn conclusie is dat zij muziek zó benijdenswaardig normaal vinden dat ze er geen woorden voor nodig hebben. Die drie mannen maken niet alleen samen muziek, zij zijn muziek.


     

    (Alma) Tadema

    19 januari 2017

    De Limburger 14-1-17

    Wat doet u op een vrije middag in een vreemde stad?

    Ik ga dan graag naar een museum.

    Zoals laatst toen we in Leeuwarden speelden. We kwamen aan om ’n uur of twee en eerst, zoals altijd, een dutje. Daarna liep ik door de kou naar het Fries Museum voor de tentoonstelling Alma-Tadema. Klassieke verleiding.

    Binnen stond een rij. Gelukkig kon ik onder het wachten de levensbeschrijving van de schilder lezen op een muur. In 1836 kwam hij ter wereld in het Friese Dronryp als Lourens Tadema. Maar in 1912 werd de man in de St Paul’s Cathedral in Londen begraven als Sir Lawrence Alma-Tadema. Waarom is zijn naam veranderd? Voordat ik dat kon achterhalen ging de deur open.

    Wat een mooie expositie! Tadema kon schilderen met een fotografie-overtreffende precisie. De subtitel Klassieke verleiding is goed gekozen. Je ziet namelijk veel aantrekkelijke mensen, vooral jonge vrouwen, uit de Griekse en Romeinse oudheid in mooie poses, met blijmakend licht en in schitterende decors. Alles klopt tot in het kleinste detail. Opvallend hoe natuurlijk al het stof van die toga’s valt. Vakwerk!

    Slenterend door de mooie zalen leerde ik ook iets over die naamsverandering. Dat heeft hij zelf gedaan, in twee etappes. Hoewel zijn familie een jurist in hem zag vertrok Lourens al als zestienjarige om te studeren aan de Antwerpse kunstacademie. In Vlaanderen voegde hij zijn tweede voornaam Alma bij zijn achternaam. Helaas las ik nergens waarom.

    Heel interessant vond ik het dat de ontmoeting in 1864 met kunsthandelaar Ernest Gambart zo belangrijk was geweest voor de Tadema’s carrière. Achter een succesvolle artiest staat vaak een slimme handelsman.

    ‘Zou onze Roermondse Pierre Cuijpers hem gekend hebben? En zo ja was Pierre dan niet een beetje jaloers op zijn Friese tijdgenoot?’, waren vragen die opkwamen. Want Alma-Tadema vertrok naar London, noemde zich Lawrence en werd een wereldster. Hij concentreerde zich op de klassieke oudheid en in 1899 werd hij als grootste schilder van zijn tijd geridderd tot Sir Lawrence.

    De tentoonstelling kan ik aanraden. Mocht u willen gaan, dan heeft u tot en met 7 februari de tijd.

    Het schilderij dat me nog het meest bijstaat van deze fijne vrije middag in Leeuwarden is klein. Het heet De wijnwinkel. Je ziet een Romeinse wijnhandelaar die, over zijn toog leunend, aan zes mannen uitlegt wat ze zojuist geproefd hebben. Die mannen kijken zó geïnteresseerd, dat ik er nu nog dorst van krijg. Proost!


     

    Slappe lach

    18 december 2016

    De Limburger 17-12-16

    Vandaag precies twintig jaar geleden was ik te zien in het NOS Journaal, zowel om zes uur als om acht uur. Weet u waarom? Omdat Toon Hermans ’s morgens gebeld had. Hij werd die dag 80 en had zelf geen zin in TV. Maar hij vroeg of ik, als zijn producer, over hem zou willen praten.

    Ik vond dat erg eervol maar ook net zo spannend. Bibber bibber, Het Journaal komt mij thuis! Van de opnames herinner ik me alleen dat ik voortdurend de slappe lach had. Op een gegeven moment lagen we allemaal in een deuk: de cameraman, de geluidsman en de vrouwelijke reporter.

    Toen ik onlangs in Hilversum speelde ben ik naar dat oude nieuwsbulletin gaan kijken bij Beeld en Geluid, het museum van de omroep. Op TV was jammergenoeg niets te zien van de hilariteit.

    Afgelopen halfjaar werden we in de media een beetje overladen met Toon. Om een evenwicht te vinden heb ik iedere dag tien minuten mijn aandacht gericht op onze samenwerking van twintig jaar geleden. Niet alleen genoot ik van de twee CD’s, waarvoor Toon mij gevraagd had als producer. Ook was het heerlijk om naar de DVD van zijn laatste One Man Show te kijken. Toon had mij ook bij die registratie de eindverantwoordelijkheid gegeven over het geluid. Bovendien heb ik met veel plezier voor het eerst weer een deel van de opnames beluisterd die we bij hem thuis in Bosch en Duin maakten. Zowel Toon als ik liepen altijd rond met een cassetterecorder en ook daar werd veel gelachen. We werkten hard maar hadden ook lol.

    Nu we het toch over lol hebben:  26 augustus 1996 was een van de hoogtepunten. We gaven die dag een persconferentie in België over de CD ‘Ik zing van het leven’. Ik schrijf wel ‘we’ maar de pers kwam natuurlijk voor Toon. In een zaal van het chique Antwerpse Park Lane Hotel (dat nu niet meer bestaat) zaten wij tweeën achter een tafel met voor ons heel veel Vlaamse journalisten. Voor mijn idee waren ze er allemaal. Ik voelde me kleine Petrus naast grote Jezus. Na het vragenuurtje was er een fotosessie in de tuin. In mijn plakboek zitten artikelen uit alle Vlaamse kranten van de volgende dag. De beste foto vind ik die uit De Gazet van Antwerpen. Kijk maar op mijn Facebook: Toon en ik gieren van de lach. Wat een mooi beeld voor een plezierige én vruchtbare samenwerking.

    Expats

    23 oktober 2016

    De Limburger 23-10-16

    Wat is Limburg toch een emigratieprovincie. Van mijn klas op het Bisschoppelijk College heeft het overgrote deel ons gewest verlaten. Toen wij eindexamen deden was hier weliswaar geen universiteit en moest je weg als je doctor(anda) wilde worden. Maar ik hoorde dat, zelfs nu we onze veelgeprezen Maastricht University hebben, de meeste afgestudeerden nog steeds vertrekken.

    Overal in het land ontmoet ik Limbo-expats in theaters. Kennelijk vinden deze Sudeten-Limburgers het leuk om muziek in hun moedertaal te horen.

    Laatst na een optreden in Hendrik-Ido-Ambacht (tussen Dordrecht en Rotterdam) kwam ik aan de praat met een ouder koppel, afkomstig uit Roermond. Zij woonden echter al meer dan vijftig jaar aan die kanten. Beiden spraken een heel mooi ouderwets Roermonds. Het was alsof de tijd had stil gestaan. Ze gebruikten nauwelijks Nederlandse woorden. Zij zeiden bij voorbeeld nog goonsdig (woensdag) terwijl ik nu meestal het verhollandste woonsdig hoor. Tegen elkaar hadden zij altijd dialect gesproken. Terwijl in Roermond het plat zich steeds ontwikkelt was hun tweetaal nog altijd het dialect van vijftig jaar terug.

    Dat deed me denken aan onze ome Sjeng uit Canada. Die emigreerde al in 1953 vanuit Helden naar Quebec. Daar heeft hij goed geboerd en zolang zijn gezondheid het toestond, kwam hij vaak op bezoek. Ook hij gebruikte ouderwetse Heldense woorden. Van hem leerde ik bij voorbeeld Insterkes, dat betekent Langzamerhand.

    Hoe mooi deze authentieke woorden ook zijn: een levende taal verandert voortdurend. Daar valt niets aan te regelen en dat hoeft van mij ook niet. Zo sprak mijn oom tijdens zijn laatste bezoeken steeds meer Frans. Soms maakte hij mooie mengzinnen zoals Viens mer heejerop. (Kom maar hier naartoe)

    Tot slot van een Marokkaanse leerling een prachtige uitspraak in drie talen. Die is me bijgebleven uit de tijd dat ik nog werkte als muziekleraar, waarbij Woela Arabisch is voor Ik zweer. Toen er een nieuwe, en blijkbaar indrukwekkende, leerlinge binnenkwam keek hij op en zei: Woela, mooie maedje!


     

    Kampen

    14 oktober 2016

    De Limburger 8-10-16

    Als muzikant kom je nog eens ergens. Vorige week repeteerden wij drie dagen in De Stadsgehoorzaal van Kampen. Wij was in dit geval de Friese zanger Syb van der Ploeg, pianist Wiebe Kaspers, regisseur Jessica Borst, licht- én geluidstechnicus Phil Karis en ik. Met ons vijven namen we bezit van het theater: Jessica en Phil zaten in de voor de rest lege zaal en de bühne was voor de muzikanten.

    Iedere dag speelden we een aantal keren ons hele nieuwe programma en daarna was het wikken en wegen. We schrapten liedjes, bedachten nieuwe partijen, oefenden praatjes. Phil stelde lampen en programmeerde lichtstanden.

    Kampen hadden we gekozen omdat onze regisseur er woont, maar ook omdat deze oude stad aan de IJssel handig tussen Limburg en Friesland in ligt. Ik heb er al vaker gespeeld maar bij gewone optredens zie je eigenlijk nooit iets van een stad. Hoewel we hard werkten, kregen we nu wél een aardige indruk van deze plaats. Mijn vrouw had in het centrum een leuk huisje én fietsen gehuurd. Kampen vond ik mooi. Er was natuurlijk al  een soort band omdat deze stad, net als Roermond, onderdeel uitmaakte van het middeleeuwse handelsverbond de Hanze. Het oude centrum is heel overzichtelijk gebouwd. Paralel aan de rivier liggen de grote straten met daartussen allerlei dwarsstegen en leuke pleintjes.

    Wat me meteen opviel bij het fietsen en het wandelen was dat in het overgrote deel van de huizen geen vitrage hangt. Je kunt daardoor overal naar binnen kijken. Ik weet niet wat u in zo’n geval doet, maar ik wil dan alles zien. Zo lagen op weg van ons huisje naar het theater twee huizen met een piano in de woonkamer en in een héél chique onderkomen stond zelfs een mooie glimmende vleugel te pronken. Zouden Kampenaren willen laten zien wat ze hebben of vinden ze het fijn om zelf vanuit hun huis naar buiten te kijken?

    Ook in ons huisje, dat pal aan de straat lag, hingen geen glasgordijnen. Tijdens het ontbijt voelde ik me erg open en bloot zitten. Maar hoewel er best veel mensen langs liepen keek niemand de kamer in. Willen Kampenaren dan niet zien wat er binnen staat? Opeens kwam er ook een andere gedachte bij me op: hangt er bij ons misschien overal vitrage omdat wij Limburgers uitzonderlijk nieuwsgierig zijn?

    Zomergriep

    26 augustus 2016

    De Limburger 13-8-16

    Zijn uw kwaaltjes ’s zomers ook zonniger?

    Vorige week was ik vier dagen goed gammel en het eerste dat opviel was dat ik me nauwelijks zorgen maakte. Zou dat aan het jaargetijde liggen? Want als ik wel eens ’s winters de griep had, dan maakte ik me druk over elk wissewasje. Nu totaal niet.

    Dinsdagavond kreeg ik koorts en we konden gelukkig de afspraak van woensdag verplaatsen.

    Die ochtend heerlijk lang in bed gelegen. Al sluimerend tussen de lakens naar Belgisch voetbal op TV gekeken. Welke teams er speelden weet ik niet eens meer, maar daar voetbalt ergens een nieuw Afrikaans talent met de voornaam Neeskens. Zijn ouders waren klaarblijkelijk fan van onze oud-international.

    Omdat ik erg duf word van alleen maar liggen in bed gingen we op de markt maatjes kopen. ’s Middags lekker opgegeten met een flesje bier. Ik drink steeds minder maar als je ziek bent is elk medicijn toegestaan, toch? ’s Middags weer slapen. In het kader van consequente medicatie ’s avonds op een terras aan de Maas twee halve liters Erdinger ingenomen. Twee! Ik drink nooit halve liters bier. Blijkbaar was ik hier dus nog best ziek.

    Als ZZP-er kan ik me het niet permitteren om alleen maar in bed te liggen. Of dat erg is betwijfel ik, want werken heelt misschien wel beter dan bier. Suus kwam donderdagmorgen zingen en met haar stapte er een brok positieve energie binnen. De opname verliep soepel maar ’s middags sliep ik weer uren. Ook de sessie met Mike Roelofs op vrijdag wilde ik per se door laten gaan. Om vijf uur waren we klaar en ik bekaf. Wéér slapen en toen een boek over de wijnen uit Chili gelezen van Cees van Casteren. Deze Venrayse wijnauteur schrijft zo lekker dat je gewoon dorst krijgt. Toen mijn vrouw rond half tien thuis kwam van een uitje, zijn we daarom aan de Roerkade een Chileen gaan drinken.

    Daar bekroop me de gedachte dat ik misschien wel ziek was geworden omdat ik alsmaar minder drink. Dat idee voelde zó goed dat ik meteen wist: ‘Nu ben ik beter.’


     

    EK

    18 juli 2016

    De Limburger 16-7-2016

    Tijdens het Europees Kampioenschap Voetbal keek ik liever naar  voor- en nabeschouwingen op de Belgische TV dan op onze eigen NPO. Voorafgaand aan de finale ben ik zondag gaan zappen om het verschil te ontdekken. Het eerste dat opviel was de  hoeveelheid reclame op  Nederland. Terwijl de Belg mooi toonde hoe Xavi, aanvoerder van aftredend kampioen Spanje, de beker terugbracht was er hier  zo’n saai Ster-blok. Mijn voorkeur voor de VRT had niet veel te maken met de presentator of de gasten. Ik schrijf met opzet ‘niet veel’, want ik moet wel bekennen dat ik steeds blij werd als de Vlaamse voetbalster Imke Courtois  bij presentator Karl Vannieuwkerke aan tafel zat. Ooit kwam een mooie vrouw met verstand van voetbal alleen voor in  niet-droge jongensdromen, maar Imke liet zien hoe tijden gelukkig veranderden. Ondanks haar goede analyses kwam ze zelfs iewat verlegen over. Dat vond ik erg charmant. Maar NPO gespreksleider Henry Schut oogde ook sympathiek. Hij had zondag drie plezierige en ervaren gasten, weliswaar met een Ajax achtergrond (Co Adriaanse, Daniël de Ridder en Rafael van der Vaart) maar daartegenover bood Sparta-fan Hugo Borst voldoende evenwicht. Waar ik moeite mee had is dat er bij de NPO nauwelijks gesprekken ontstonden. De communicatie leek niet verder te mogen gaan dan om beurten antwoord geven op Henry’s vragen. Zo hield Hugo even een leuk praatje over Portugal waar Rafael tegenin ging. Maar net toen dat interessant dreigde te worden, werd het afgekapt met beelden. Ik had de indruk dat Henry Schut voortdurend ingefluisterd kreeg: Vermijd conversatie! Alsof er een redacteur met een stopwatch angstvallig zat te klokken dat er elke minuut een ander onderwerp aangesneden moest worden. Onrustig werd ik ervan. Daarentegen leek het alsof Karl Vannieuwkerke zijn gasten juist aanspoorde om in te gaan op hoe en waarom ze van mening verschilden. Dat gaf natuurlijke, interessante en bovendien gezellige animositeit. Daar keek ik met plezier naar.Toen ik veertig jaar geleden voor het eerst met media in beide landen te maken kreeg kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat Belgen tegen Nederland opkeken. Ik herinner me zelfs een Vlaamse DJ  met een imitatie Hollandse G. Zijn de zaken ondertussen omgedraaid en kan onze NPO nu iets leren van de VRT?


     

    Sir Paul

    20 juni 2016

    Hij zwaaide naar ons. Twee keer zelfs. De eerste keer liepen Tof Thissen en ik vanaf de parkeerplaats naar Pinkpop. Een stoet zwarte Mercedessen met blauwe Nederlandse nummerplaten kwam voorbij. In de eerste auto ging het achterste raampje naar beneden en daar zwaaide Sir Paul. We wuifden enthousiast terug en lachten naar hem. Nou zeg, Paul McCartney zag ons.

    Toen we op het terrein kwamen, speelde Lionel Richie nog. Een hoop goede hits heeft die man. Er gaat toch niks boven samen zingen. Hoe groter het koor hoe mooier. En wat is Pinkpop nog steeds gezellig! Mensen van alle leeftijden in vreedzame coëxistentie, om maar eens een vergeten uitdrukking te gebruiken. Het werd zelfs een soort reünie toen we Carmen en Eduard Nazarski tegen het lijf liepen.

    Het regende toen McCartney zou beginnen. Altijd spannend, dat wachten op een grote artiest. We vroegen ons af of hij ook zenuwachtig zou zijn. Daar was niks van te merken. Paul speelde super en de regen stopte! Zijn klassiekers zitten nog dieper in mijn lijf dan Lionel’s hits. Ze waren de soundtrack van mijn puberteit. De eerste muziek die voelde als van mij.

    Alleen al het openingsakkoord. Iedereen van mijn generatie weet dat dan Hard day’s night komt. En niet alleen mijn generatie, zo bleek. Want rondom ons gingen zelfs pubers meezingen en dansen.

    Twee keer maakte ik me wel zorgen over Paul’s stem. Bij een nieuw nummer over zijn huidige vrouw (Valentine?) en bij Blackbird. Daar zag ik niet een wereldster op dat megascherm, maar op een veel te groot podium een oud mannetje wiens vermoeide stembanden het bijna begaven. Toen liepen veel mensen weg. Daarna gaf McCartney echter gas en pakte hij het hele veld weer in. De volksverhuizing stopte.

    Kippenvel kreeg ik ook twee keer. Hij leek maar wat te pielen op zijn akoestische gitaar en opeens zetten ze perfect meerstemmig Eleanor Rigby in. Wo! ( Sowieso waren de koortjes jaloersmakend zuiver. ) Als toegift speelden ze een deel van de medley van Abbey Road. Die liedjes verwachte ik van een vijfmans band niet zó mooi.

    And in the end zwaaide Paul weer naar ons. Wij zwaaiden terug, uiteraard. Maar of hij ons toen ook weer zag, dat weet ik niet helemaal zeker.